geen categorie

Blogworkshop: Carpe diem

Carpe diem (pluk de dag)

Bij mijn buurt-albertheijn is iets bijzonders aan de hand. Recht tegenover de ingang waar een boom staat, is een kleine tuin ontstaan, met heel veel planten in bloei. Iemand die er verstand van heeft, moet er de hand in gehad hebben. Eromheen is met houten latjes een soort van mini-hek gemaakt. Voor wie niet beter weet, een beetje buurtverfraaiing. Maar ik, en heel wat vaste klanten van deze supermarkt, weten wel beter.

Jarenlang stond hier namelijk ‘onze’ daklozenkrantverkoper met wie ik, op een hoogst eigenaardige manier, een soort van verstandhouding, misschien zelfs wel vriendschap, heb opgebouwd. Elke dag verscheen hij trouw op zijn ‘werk’. Verkopen deed hij niet zoveel, maar hij maakte een praatje, een compliment, contact – met iedereen.

Het is koningsdag, als ik dit schrijf. “Vijftig is het nieuwe dertig”, hoor ik het staatshoofd zeggen. Willem-Alexander is jarig.- 50 heeft Anthi, zo heette onze daklozenkrantverkoper, nooit gehaald en dat wilde hij ook niet, vertrouwde hij me ooit eens toe. Ik zie hem nog voor me, op het laatst, toen je hem zo ongeveer kon wegblazen. 50 kilo was hij toen misschien. Hij was half Grieks, half Duits. En al zeker 20 jaar aan de dope. Toen hij net aankwam in Amsterdam was de stad nog niet zo mooi opgepoetst als nu, zou hij later zeggen in een interview met zijn eigen daklozenkrant. De jaren eisten hun tol. Toe ik hem leerde kennen zat hij op 1 bolletje bruin en 1 wit, per dag. Overigens was hij toen niet meer echt dakloos. Ik was, vermoed ik, de enige in onze buurt die dat wist en heb hem nooit verraden. Ik was er bij toen het mis begon te gaan. Sterker nog, ik was degene die de ambulance belde, hoewel hij dat absoluut niet wilde. Want geen geld, kon zich het eigen risico niet permitteren. Maar dat was toen het, naar omstandigheden dan, nog enigszins goed ging met hem.

Anthi woonde boven mijn stamkroeg bij de Kolk en op late zomeravonden zittend op de trappen tegenover het cafe zag ik hem voorbijkomen en snel naar boven glippen. Lang wist ie zéker dat ik een 'stille' was, een agent in burger die hem achterna zat. Paranoia, dat hoort namelijk ook bij die bolletjes wit en bruin.

Na jaren geloofde hij eindelijk dat ik niet van de politie was en Anthi werd steeds meer onderdeel van mijn dagelijks leven, als hij voor de AH zijn krantjes uitventte met voor iedereen een vriendelijk, complimenteus of bemoedigend woord. Op zijn beurt kreeg hij veel toegestopt van ons buurtbewoners. Boodschappen, soms op zijn ‘bestelling’ en vooral veel kleingeld. Ik probeerde ook altijd even een woord met hem te wisselen. Hij nam me dan in vertrouwen over zijn echte sores en besloot dat met ‘Maar ik geef nooit op!’. Hij keek me vervolgens heel doordringend, bijna fel, aan, lachte zijn opvallend mooie en witte tanden bloot en gaf me een verrassend stevige hand. ‘En jij, moet goed voor jezelf zorgen!’, zei hij dan streng, en dat mijn haar goed zat, of dat ik een mooi jasje aan had.

Een enkele keer was hij echt gedeprimeerd. Ik herinner me die keer dat zijn moeder hem geld gestuurd had met zijn verjaardag en de brief niet aangekomen was. Dan stopte ik hem ook wel eens wat meer toe. Dat leidde dan bij hem dan weer tot grote ontroering in zijn ogen.

In de krant lees ik dat Willem-Alexander voor zijn ontspanning nog wel eens een passagiersvliegtuig wil besturen. Incognito, uiteraard. Zo helemaal los van de wereld, in de wolken, alleen verantwoordelijk voor zijn passagiers, komt hij eigenlijk pas echt tot rust. Zo’n koningschap is ongetwijfeld een zware verantwoordelijkheid. Maar, om eerlijk te zijn, ben ik meer onder de indruk van hoe Anthi zijn lot droeg.

Op een zomermiddag zag ik, staand voor het café op de Kolk, mijn daklozenverkoper buiten zichzelf en vol opwinding voorbij stuiven. Ik had hem wel eens vaker zo gezien en dan had het weinig zin hem aan te spreken. Hij kwam van de Nieuwmarkt en zo te zien was hij onder invloed van zijn dagelijkse dosis. Toen gebeurde er, voor de ogen van de cafégasten op het terras, iets vreemds.

Vloekend en tierend zag ik hem een regenpijp op klauteren. Hij was al halfweg op weg naar het raam dat daar half open stond. Ging hij inbreken in zijn eigen huis? Nee hij bleek zijn sleutels vergeten! – Seconden later gebeurde het onvermijdelijke. Hij kwam met een smartelijke val naar beneden en lag kermend op straat. Zo te zien had hij iets gebroken. Iedereen liet hem aan zijn lot over, dus snelde ik naar hem toe. Na lang aandringen mocht ik toch eindelijk medische hulp bellen. Hoe oud is meneer?, vroeg de telefoniste. Ongeveer 48, zei ik, want ik wist dat Anthi en ik niet zoveel scheelden in leeftijd.

Pas maanden later zag ik hem weer. Voor de AH, nu met een rollator. Hij was ook nog eens zijn stem kwijt. Keelkanker. Het bleek het begin van het einde. Op een dag in het najaar hing er een bericht met een foto van hem voor het glas van de AH. Hij was gevonden op een boot, drijfnat en bewusteloos naar een ziekenhuis gebracht. Daar overleed hij drie dagen later.

De buurt bracht spontaan een bloemenhulde, met brandende kaarsen en briefjes. Dat werd later zowaar nog een echt tuintje. Weer maanden later, in de winter, was alles dood en werd het weggehaald. Maar nu is er dus een klein wondertje gebeurd. Rondom de boom waar ooit de bloemen en kaarsen gestaan hadden, is een tuinperkje aangelegd, netjes afgeschot met houten plankjes. Liefdevol is de boom omringd met bloeiende planten. Dat kan niet anders zijn dan ter ere en nagedachtenis zijn van ‘onze’ daklozenkrantverkoper.

- Frank Steverink